In 1920 begon het allemaal. Niet dat toen het dansen uitgevonden werd, want
gedanst wordt er al eeuwen lang; er was algemeen kiesrecht gekomen voor mannen
en vrouwen en, even belangrijk, er was een achturige werkdag gekomen.
Maar dat is het beginjaar van de Vereniging.
De twintiger jaren begonnen en zij vormden een uitdaging voor de toen levende
generatie. De eerste wereldoorlog was voorbij en het leek of er een nieuwe geest
ontstond. Er hadden zich in de jaren daarvoor een paar belangrijke veranderingen
voorgedaan. Er was algemeen kiesrecht gekomen voor mannen en vrouwen en even
belangrijk er was een achturige werkdag.
Dat betekende meer vrije tijd voor de mensen, meer tijd om zich te ontspannen.
En dat betekende ook, meer tijd om te d a n s e n !
Er ontstond een enorme behoefte aan het leren van voor die dagen moderne dansen.
En ook toen waren er velen die zich, zonder de nodige vakbekwaamheid te bezitten,
uitgaven voor dansleraar. Om die beunhazerij het hoofd te kunnen bieden besloten
enkele vakorganisaties van dansleraren zich aaneen te sluiten, want de macht
van het getal bepaalt mede de kracht van de organisatie.
De Nationale Dans Onderwijzersbond en het College van Dansleraren sloten zich aaneen tot de Nederlandse Vereniging van Dansleraren, de NVD. De deftige Nederlandse Dansvereniging tot Bevordering der Danskunst (NVBD) hield zich afzijdig. De mensen van het eerste uur, ze zijn er allemaal niet meer, ze brachten de vereniging tot bloei. Maar namen als Blummer en Donders zullen in de historie van de organisatie altijd bewaard blijven. Ook een naam als Pierre Zom jr. en Jan van der Teen waren "dansvloerbepalend".
De bezettingtijd was een zeer zware tijd voor de Vereniging, maar meer nog voor vele van haar leden. Onze organisatie telde voor de Duitse bezetting 40% joodse collega's. Bijna geen van hen overleefde deze gruwelijke tijd. Uit een recent onderzoek, gedaan als afstudeerproject, kwam uit het archief van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie lijvige correspondentie naar voren, die verschillende collega's uit die tijd in een vreselijk daglicht stelt. De mensen die na 1940 - 1945 een enorm belangrijke rol hebben gespeeld in dansend Nederland waren zeker niet "brandschoon". Centraal daarbij is de kwestie van het al dan niet tekenen voor de Nationaal Socialistische cultuurkamer een dilemma waarvoor alle dansleren begin 1942 kwamen te staan.
Niet tekenen betekende op zijn minst een "beroepsverbod". Natuurlijk konden de joodse collega's al helemaal niet tekenen, zo ze dat al gewild zouden hebben. Natuurlijk dient men nu 60 jaar na dato zich te realiseren dat men handelde in de geest van die tijd, echter blijft overeind dat in Nederland en dus ook in "dansend" Nederland meer joden werden omgebracht dan waar ook ter wereld. Het zal een vraag zijn die men zich altijd zal blijven stellen: hoe was het mogelijk en waar was de kunstzinnige solidariteit?
Maar het zou niet juist zijn wanneer we op dit moment alleen maar stil zouden blijven staan bij het verleden. Even belangrijk is het om het heden te bezien en daarnaast de blik op de toekomst te houden. Het heden betekent voor de NVD; een organisatie die duidelijk in de lift zit; er zit nog steeds groei in de organisatie en vooral verheugend is het daarbij dat veel jonge collega's de weg naar onze organisatie weten te vinden. Dat blijkt uit de wijze waarop wij gehoor vinden binnen de verschillende nationale en internationale overlegstructuren. De opleiding tot dansleraar is boeiend en wordt mede door de N.V.D. inhoud gegeven. De opleiding tot dansleraar loopt via onze organisatie(zie: www.dansleraaropleiding.nl) of via de Federatie Opleidingen en Examens(zie: www.dansleraar.com)
Hoewel al in de Bijbel op vele plaatsen gemeld wordt dat mensen door te dansen
uiting geven aan hun vreugde en aan hun geloof, is in ons land erg lang dansen
door velen gezien als een "wereldse uiting"waar niets goeds in kon
schuilen; dansen en zondig waren twee begrippen die dicht tegen elkaar aanlagen.
En hoewel we al in de Middeleeuwen in verschillende steden van ons land danshuizen
bouwden, werd er nog in 1933 in ons land door de Tweede Kamer gesproken over
een "Wet tot Beteugeling van het Dansgevaar". Weliswaar kwam deze
wet er niet door heen, maar toch werd art. 56 van de Drankwet zodanig aangepast
dat de lokaliteiten waar gedanst mocht worden, aan strenge voorwaarden werden
onderworpen.
In de Memorie van Toelichting bij deze wetswijziging stond hierover; "naar
mening van den Minister verdient een uniforme regeling, welke zich over het
geheel land uitstrekt, ten deze de voorkeur. Men kan niet zeggen dat het kwaad
tot enkele gemeente beperkt blijft; de dansgewoonte heeft zich geleidelijk tot
een veelheid van gemeenten uitgebreid".
Wat toen de Drankwet was dreigt ons nu boven het hoofd te hangen met de Milieu-wetgeving.
Ook sociëteiten en hotels vielen onder de voorgestelde regeling. Daarover
schreef de Minister; "sociëteiten zijn in den regel niet voor het
publiek toegankelijk, maar er zijn verschillende sociëteiten, die nu en
dan wel voor het publiek toegankelijk worden gesteld, tegen betaling of introductie
of op welke wijze ook. Het is zaak ook voor die tijden te waken tegen het gevaar.
De tijden zijn veranderd en gelukkig wordt dansen tegenwoordig wel wat anders bezien. Dansen is een onderdeel van het leefpatroon van deze tijd, is een onderdeel geworden van ons sociale leven. Het geeft een brok gezelligheid aan mensen en het is daarnaast een uitstekende remedie tegen de bewegingsarmoede die de moderne manier van leven en werken zo kenmerkt. Dansen is een gezonde sportieve manier van ontspanning. Voor velen een belangrijk onderdeel van hun vrijetijdsbesteding. Vele honderdduizenden Nederlanders bezoeken wekelijks de dansscholen. Een aantal dat enorm is toegenomen Dansen is een onderdeel van het opvoedingspatroon. De dansscholen hebben in de huidige tijd te maken met een enorme verschuiving. Was het in het recente verleden zo dat de dansschoolpopulatie voor een groot deel bestond uit "jeugd", tegenwoordig is al ca 50% in de leeftijdscategorie tussen de 30 en 50 jaar. Een ontwikkeling waar de dansscholen niet ongelukkig over behoeven te zijn.
Wat wel veel zorg baart is de toekomst. Als we uit gegevens van het CBS zien
dat in 2005 reeds 40% van de jeugd naar dansles komt, dan zal het duidelijk
zijn dat de dansscholen de bakens dienen te verzetten en zich (nog) meer moeten
richten op de ouderen en speciale clubs moeten gaan maken voor 55+ enz.
Het is daarom van het grootste belang dat de dansleraar van de toekomst weet
dat hij/zij niet alleen moet bijbrengen hoe men de ene voet voor de andere kan
krijgen, maar zich in een breed vlak moet bekwamen. Dansles heeft een groot
educatief element. Daarom wordt men ook zo maar geen dansleraar. Er gaat een
gedegen vakopleiding aan vooraf. Een vakopleiding die telkens bijgesteld moet
worden!
Dansen is nog steeds populair, maar er eten meer mensen van de vrijetijdstaart.
We moeten alert blijven. We zullen moeten beseffen dat we de handen (en voeten)
in elkaar moeten slaan om ons marktaandeel te houden. De NVD onderkent de situatie
en bereidt zich hier op voor. Er is de laatste jaren een succesvolle actie op
gang gekomen, landelijke reclame campagnes werden er gevoerd; SWINGING WORLD
was de slogan. Swinging World'dansen-leven-lachen, de leukste les is dansles!
Surf ook eens naar; www.swingingworld.nl
of naar: www.dansdate.nl
Er is zoveel ellende en narigheid op de wereld. We worden toch dagelijks geconfronteerd
met honger en oorlog, met ziekte en rampen?
Ja, dat worden we. En aan de dansleraar gaat dat allemaal evenmin voorbij als
aan welke andere burger van dit land dan ook. Maar als we alleen maar zouden
leven met de droefenis en de blijheid niet meer zouden mogen kennen en genieten,
dan zouden we arm zijn. Bij alle volkeren en allerlei culturen is de dans een
mogelijkheid tot expressie. ER is een oude chassidische wijsheid die zegt: "Gelukkig
de mens die nog in staat is om te dansen".
Voor informatie over de N.V.D. kunt altijd terecht bij:
David Simon
Secretaris NVD
020 6478333